Artikel 2 - Aanspraak zorgtoeslag
1. Indien de normpremie voor een verzekerde in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, heeft de verzekerde aanspraak op een zorgtoeslag ter grootte van dat verschil. Voor een verzekerde met een toeslagpartner geldt het dubbele van de standaardpremie en worden de verzekerde en de toeslagpartner geacht gezamenlijk aanspraak te maken op zorgtoeslag.
2. De normpremie bedraagt een percentage van het drempelinkomen in het berekeningsjaar, vermeerderd met een percentage van het toetsingsinkomen van de verzekerde. Ingeval de verzekerde een toeslagpartner heeft, wordt het gezamenlijk toetsingsinkomen van de verzekerde en de toeslagpartner in aanmerking genomen.
3. De percentages, bedoeld in het tweede lid, bedragen voor een verzekerde met een toeslagpartner 4,273 procent van het drempelinkomen, vermeerderd met 13,700 procent van het toetsingsinkomen, en voor een verzekerde zonder toeslagpartner 1,896 procent van het drempelinkomen, vermeerderd met 13,700 procent van het toetsingsinkomen. Bij ministeriƫle regeling kunnen deze percentages worden gewijzigd.
4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de aanspraak op een zorgtoeslag voor een verzekerde met een partner die geen verzekerde is, vijftig procent van het op grond van het eerste lid berekende bedrag.
5. De aanspraak op een zorgtoeslag wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.
6. Bij ministeriƫle regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
7. Onze Minister zendt een voornemen tot wijziging van de percentages, bedoeld in het derde lid, ten minste twee weken voor de vaststelling aan beide kamers der Staten-Generaal.